IEEE 1284 parallelle interface standaard

De IEEE 1284 parallelle interface standaard is de heersende standaard voor het aansluiten van een computer op een printer of bepaalde andere apparaten via een parallelle (acht bits aan data per keer) fysieke en elektrische interface . De fysieke verbinding is vergelijkbaar met de oudere Centronics interface, die zij nog steeds ondersteunt. Terwijl de Centronics interface de gegevensstroom slechts in één richting toeliet, van computer naar randapparaat, ondersteunt IEEE 1284 ook een bidirectionele gegevensstroom.

Toen de Centronics parallelle interface voor het eerst werd ontwikkeld, was de belangrijkste randapparatuur de printer. Sindsdien hebben onder meer draagbare diskdrives, tapedrives en CD-ROM-spelers de parallelle interface overgenomen. Door deze nieuwe toepassingen gingen fabrikanten op zoek naar nieuwe manieren om de parallelle Centronics-interface te verbeteren. In 1991 kwamen Lexmark, IBM, Texas Instruments en anderen bijeen om een standaard te bespreken die meer snelheid en tweerichtingscommunicatie zou bieden. Hun inspanningen en de sponsoring van het Institute of Electrical and Electronics Engineers ( IEEE ) resulteerden in de IEEE 1284-commissie. De IEEE 1284 standaard werd in maart 1994 goedgekeurd voor vrijgave.

De IEEE 1284 standaard specificeert vijf werkingsmodi, elke modus biedt gegevensoverdracht in voorwaartse richting (computer naar randapparaat), achterwaartse richting (randapparaat naar computer), of bidirectioneel (één richting tegelijk).

  • Compatibiliteitsmodus is de oorspronkelijke Centronics parallelle interface en bedoeld voor gebruik met dot matrix printers en oudere laserprinters. De compatibiliteitsmodus kan worden gecombineerd met de nibble-modus voor bidirectionele gegevensoverdracht.
  • Nibble-modus maakt gegevensoverdracht terug naar de computer mogelijk. De nibble-modus gebruikt de statuslijnen om 2 nibble (4-bits eenheden) gegevens naar de computer te zenden in twee cycli voor gegevensoverdracht. Deze modus wordt het best gebruikt met printers.
  • Byte-modus maakt gebruik van softwaredrivers om de stuurprogramma's die de datalijnen besturen uit te schakelen, zodat gegevens van de printer naar de computer kunnen worden verzonden. De gegevens worden met dezelfde snelheid verzonden als wanneer gegevens van de computer naar de printer worden verzonden. Er wordt één byte aan gegevens overgedragen in plaats van de twee gegevenscycli die vereist zijn in de nibble-modus.
  • ECP-modus (Enhanced Capability Port-modus) is een geavanceerde bidirectionele modus voor gebruik met printers en scanners. Deze modus maakt gegevenscompressie voor afbeeldingen, FIFO (first in, first out) voor items in een wachtrij, en bi-directionele communicatie met hoge snelheid mogelijk. De gegevensoverdracht vindt plaats met een snelheid van twee tot vier megabyte per seconde. Een geavanceerde functie is kanaaladressering. Dit wordt gebruikt voor multifunctionele apparaten zoals printer/fax/modem-apparaten. Als een printer/fax/modem bijvoorbeeld tegelijkertijd moet afdrukken en gegevens via de modem moet verzenden, wijst de channel addressing softwaredriver van de ECP-modus een nieuw kanaal aan de modem toe, zodat beide apparaten tegelijkertijd kunnen werken.
  • EPP-modus (Enhanced Parallel Port mode) is ontworpen door Intel, Xircom en Zenith Data Systems om een parallelle interface met hoge prestaties te bieden die ook met de standaardinterface kon worden gebruikt. De EPP-modus werd goedgekeurd als onderdeel van de IEEE 1284-norm. De EPP-modus maakt gebruik van gegevenscycli die gegevens overdragen tussen de computer en het randapparaat en adrescycli die adres-, kanaal-, of opdrachtinformatie toewijzen. Dit maakt gegevensoverdrachtsnelheden mogelijk van 500 kilobyte tot 2 megabyte per seconde, afhankelijk van de snelheid van de langzaamste interface. De EPP-modus is bidirectioneel. Deze modus is geschikt voor netwerkadapters, gegevensverwerving, draagbare harde schijven en andere apparaten die snelheid vereisen.

De computer moet bepalen wat de mogelijkheden van het aangesloten randapparaat zijn en welke modus moet worden gebruikt. Het concept dat is ontwikkeld om deze factoren te bepalen wordt onderhandeling genoemd. De onderhandeling is een opeenvolging van gebeurtenissen op de parallelle poortinterface die bepaalt welke IEEE 1284-modi het apparaat aankan. Een ouder apparaat zal niet reageren op de onderhandelingsreeks en de compatibiliteitsmodus wordt geselecteerd om dat apparaat te bedienen. Een nieuwer apparaat zal wel reageren op de onderhandelingsreeks en er kan een meer geavanceerde modus worden ingesteld.