Azimut en elevatie

Azimut en elevatie zijn hoeken die worden gebruikt om de schijnbare positie van een object aan de hemel te bepalen, ten opzichte van een specifiek waarnemingspunt. De waarnemer bevindt zich gewoonlijk (maar niet noodzakelijkerwijs) op het aardoppervlak.

De azimuthoek (az) is de kompasrichting, ten opzichte van het ware (geografische) noorden, van een punt aan de horizon dat zich direct onder een waargenomen object bevindt. De horizon wordt gedefinieerd als een grote, denkbeeldige cirkel met het middelpunt op de waarnemer, op gelijke afstand van het zenit (punt recht boven het hoofd) en het nadir (punt precies tegenover het zenit). Gezien van boven de waarnemer worden kompasrichtingen met de klok mee gemeten in graden vanaf het noorden. Azimutshoeken kunnen dus variëren van 0 graden (noorden) via 90 (oosten), 180 (zuiden), 270 (westen), en tot 360 (weer noorden).

 

De elevatiehoek (el), ook wel de hoogte genoemd, van een waargenomen hemellichaam wordt bepaald door eerst de kompasrichting aan de horizon ten opzichte van het ware noorden te vinden, en dan de hoek tussen dat punt en het hemellichaam te meten, vanuit het referentiekader van de waarnemer. Elevatiehoeken voor objecten boven de horizon lopen van 0 (aan de horizon) tot 90 graden (bij het zenit). Soms wordt het bereik van de elevatieco¨ordinaat van de horizon naar beneden uitgebreid tot -90 graden (het nadir). Dit is nuttig wanneer de waarnemer zich op enige afstand boven het oppervlak bevindt, zoals in een vliegtuig.