Advanced Peer-to-Peer Networking (APPN)

Advanced Peer-to-Peer Networking (APPN), onderdeel van IBM's Systems Network Architecture ( SNA ), is een groep protocollen voor het opzetten of configureren van programma-naar-programma communicatie binnen een IBM SNA netwerk. Met behulp van APPN kan een groep computers automatisch worden geconfigureerd door een van de computers die als netwerkcontroller fungeert, zodat peer-programma's in verschillende computers met elkaar kunnen communiceren met behulp van gespecificeerde netwerkrouting.

APPN-kenmerken omvatten:

  • Beter gedistribueerd netwerkbeheer; omdat de organisatie peer-to-peer is in plaats van uitsluitend hiërarchisch, kunnen eindstoringen worden geïsoleerd
  • Dynamische peer-to-peer uitwisseling van informatie over netwerktopologie , waardoor verbindingen, herconfiguraties en routering gemakkelijker worden
  • Dynamische definitie van beschikbare netwerkbronnen
  • Automatisering van bronregistratie en directory lookup
  • Flexibiliteit, waardoor APPN in elk type netwerktopologie kan worden gebruikt

Hoe Dynamische Configuratie Werkt

APPN werkt met Advanced Program-to-Program Communication (APPC) software die definieert hoe programma's met elkaar zullen communiceren via twee interfaces: een die reageert op verzoeken van applicatieprogramma's die willen communiceren en een die informatie uitwisselt met communicatiehardware. Wanneer een programma met een ander programma wil communiceren, zendt het een verzoek (een allocate call genoemd) dat de naam van de logische eenheid (LU) van de bestemming bevat - het APPC-programma op elke computer dat deze eenheid op unieke wijze identificeert). APPC zet een sessie op tussen de LU's van herkomst en bestemming.

APPN-netwerkknooppunten worden onderscheiden in low entry networking (LEN)-knooppunten, end nodes (EN's), en network nodes (NN's). Wanneer de netwerkcomputers worden aangezet en de software wordt geactiveerd, worden in de gespecificeerde topologie verbindingen tot stand gebracht. De gekoppelde nodes wisselen automatisch informatie uit. Als we een vereenvoudigd APPN-netwerk beschouwen, met een eindknooppunt dat is verbonden met een netwerkknooppunt, zou de opeenvolging van gebeurtenissen als volgt worden beschreven:

  • Elk knooppunt geeft de APPN-capaciteit aan en definieert zijn knooppunttype.
  • Het netwerkknooppunt vraagt het eindknooppunt of het een netwerkknooppuntserver nodig heeft, die verzoeken om LU-locaties afhandelt.
  • Als het antwoordt dat dit het geval is, zetten de twee knooppunten APPC-sessies op om programma-tot-programma-informatie uit te wisselen.
  • Het eindknooppunt registreert alle andere LU's die op zijn knooppunt zijn gedefinieerd door het netwerkknooppunt geformatteerde informatie te zenden die is verzameld in de APPC-sessie.
  • Nadat deze sequentie is voltooid, weet het netwerkknooppunt de locatie van het EN en welke LU's zich daar bevinden. Deze informatie, vermenigvuldigd over het netwerk, maakt de lokalisering en routering van LU's mogelijk.